“Hoeveel zijn het er nou helemaal?”

Het meisje op de foto zal zo oud zijn als ik, toen ik, zittend naast mijn moeder de lens van mijn vader inkeek en mijn tong uitstak. Lekkere beentjes, afgetrapte klompjes, een keurig gekapte moeder en een vader die zijn eerstgeborene op een foto zette die haar hele leven al mee kan.

Een kindje van vijf. Opgroeiend in vrijheid, in Nederland waar de islam een exotisch klank had. In een tijd waarin de moslim nieuwsgierig begroet werd als gastarbeider en diezelfde moslim zijn best deed om erbij te horen. De islam, het geloof was iets van dáár, van ver weg. Van achter zich gelaten. Hier in Nederland gold vrijheid. En hartelijkheid. Mijn moeder zal altijd vertellen over de artsenvrouwen die mijn ouders onthaalden en wegwijs maakten in Nederland. Mijn ouders kregen als vreemdelingen alle kansen om zich te ontplooien tot wie ze zelf wilden zijn. En, belangrijker: hun dochters kregen de kans om in vrijheid op te groeien – een vrijheid die uiteraard op gezette tijden clashte thuis maar hey, welke puber is wél ongeschonden uit zijn ouderlijk huis vertrokken?

Het meisje op de foto die in 2003 is genomen door Thomas Schlijper, lijkt in niets op mij. Het snoetje is lief en onschuldig, je hart breekt ervan. Het kopje is echter ingezwachteld in witte doeken. Het arme kind zal maar bij iemand seksuele driften opwekken – de moslimgeest doet niet onder aan die van de pedofiel. Op de foto nog drie kinderen. Ik weet nog dat Thomas en ik bedachten dat we deze vrouwen, die we opeens door Amsterdam Bos en Lommer zagen zwerven, wilden aanspreken. Waarom ze er zo bijliepen, wat ze hun kinderen bijbrachten. Het was een tijd waarin mensen op straat stil bleven staan om de vrouwen in burka na te kijken, vol schrik. Verbazing. Afkeer. Onbegrip. Ik ook. Ik bespiedde ze, alsof ik iets wilde ontdekken. Maar ik ontdekte niets. Ze liepen over de Bos en Lommerweg. Ze stapten op de tram. Als bespieden niets opleverde, zou aanspreken dat misschien wel doen. Het was een tijd waarin Thomas en ik het nog aandurfden om ze aan te spreken. Ik schreef voor de site van Theo van Gogh, hij vond het een hilarisch idee en drukte me op het hart om voorzichtig te zijn. Voorzichtig? Hoezo dan?

En toch vond ik het eng, die vrouwen. Maar Thomas was onverbiddelijk: “Jij bent Ebru Umar, natuurlijk durf je haar aan te spreken!”. En zo geschiedde. De vrouwen waren open, spraken Engels en vonden het de normaalste zaak om zo over straat te gaan. Mannen waren nou eenmaal superieur aan vrouwen, vrouwen moesten zich schikken. En ja haar dochter moest een hoofddoek, dat moest nou eenmaal. De logica ontbrak, dat we in Nederland zijn en het niet hoeft, drong niet door. De vrije wil werd beklemtoond, de openhartigheid was verrassend. Ik weet nog dat ik in mijn stukje destijds schreef dat ze het type vrouw was aan wie je je kinderen zou toevertrouwen – ware het niet dat je je kinderen niet wilt doen geloven dat hoofddoeken laat staan burka’s normale kledingstukken zijn. En vrouwen ondergeschikt aan mannen, meisjes aan jongens.

Thomas en ik werd uitgelachen door het zittende journaille. Burka bashen, om hoeveel vrouwen ging het nou helemaal? Ik ontplofte. Toen mijn vader mij op de foto zette in 1975, had je smalend kunnen zeggen: hoofdoeken? Om hoeveel vrouwen gaat het nou helemaal? Anticipatie op het Nederland van morgen, het Nederland waar jullie, hún kinderen in zullen opgroeien, is nooit de sterkste kant van journalisten dan wel politici geweest.

En zo is sinds 1 augustus 2019 de triestheid van een burkaverbod van kracht. Triestheid, omdat onze politici niet in staat zijn gebleken vrouwen te beschermen tegen deze mensonterende, vrouwonterende kledingdracht die “vrijwillig” wordt gedragen. Triestheid, omdat kranten, radio en tv overspoeld wordt door vrouwen die in tenten lopen maar die in keurig Nederlands weten te vertellen dat dit ‘vrijheid’ is. Triestheid omdat ‘vrijheid’ wordt verward met ‘mishandeling’. Triestheid omdat serieus in gesprek wordt gegaan met deze vrouwen, die de variant van de nieuwe kleren van de keizer dragen. Waar zijn de kinderen die onze journalisten leren vragenstellen en wel die ene vraag: ‘ben je wel goed bij je hoofd om je in een tent te hullen?’. En die doorvragen als het antwoord daarop ‘ja’ zou zijn. ‘je draagt een tent, heb je wel in de spiegel gekeken?’. Waar zijn de artsen die deze vrouwen opnemen in het Pieter Baancentrum of welke instelling dan ook, om ze te deprogrammeren? Het zijn vrouwen die mentaal mishandeld zijn, die gehersenspoeld zijn en die het verkeerde voorbeeld geven aan hun kinderen. Kinderen in bordelen (bestaan die eigenlijk nog?) zijn niet normaal; kinderen in een omgeving van geesteszieken zouden dat wel zijn?

Het is 2019.

Nederland en de fine fleur van onze journalistiek vindt zichzelf geweldig dat ze pratende tenten in hun praatprogramma’s hebben. Feministen die zich bekneld voelen door hun bh, gaan de barricaden op om als vrouw een tent als kledingstuk te mogen dragen. Anno 2019 is het mogelijk dat een tent aan tafel zit bij de publieke omroep. Maar als iemand op het idee zou komen een topless vrouw tegenover de tent aan tafel te zetten, zou die persoon het lachertje van de week zijn. Hoe kún je zoiets voorstellen! Dat kán toch helemaal niet!

Nee anno 2019 doe je zoiets niet. Anno 2019 bepleit je de vrouwonderdrukkende, vrouwmishandelende islam. Want islam is liefde. En liefde is vrijheid.

PS. Ook #teamEbru? Steunen kan hier!

Klik hier