De patiënt en de dokter

Ze doet me denken aan een hele jonge versie van mijn moeder. Witte jas, donkere oogopslag, jong en vrouw. Buitenlandse vrouw. Omringd door nog twee buitenlanders die wél Nederlands spreken, zelf stelt ze zich voor in het Engels, vraagt of ik Engels spreek, zegt dat ze me wel kan verstaan en dat ze me zal helpen. 

Ze spreekt dezelfde taal als haar twee collega’s, ik versta het niet. Maar dat ze me net zo stom vinden als ik mezelf vind, geloof ik meteen. Alleen idioten eindigen op de tandartsenpost van het Erasmus MC. Alle anderen gaan keurig twee keer per jaar naar de tandarts en laten zich op reguliere tijden door een reguliere arts behandelen. Als artsenkind haatte ik patiënten als mijzelf. Patiënten met spoedklachten – ja de arts heeft misschien het vak gekozen maar het kind van de arts niet. Deze arts is te jong voor kinderen. Hoewel ik dezelfde vastberadenheid zie als bij mijn moeder: de patiënt in de stoel gaat voor. De zieken zijn hier, in het ziekenhuis. Nooit thuis.

De gebiedende wijs van de vrouw is vertrouwd. De hiërarchie in de dokterskamer is duidelijk; althans voor de anderen. Door die witte jas zou je kunnen denken dat de vrouw de verpleegster is en de mannelijke witte jassen de artsen maar dat is niet het geval. Ook daarin doet ze aan mijn moeder denken; over de keren dat ze verzuchtte de arts, niet de verpleger te zijn, of de keren dat er om een échte arts werd gevraagd, kan ze boeken volschrijven. En toch maak ook ik de fout door de mannen in de witte jassen als de autoriteit te zien – totdat de vrouw de kamer instapt, eerlijk is eerlijk. Daar moeten ze toch iets op vinden, weet ik nog te denken voordat ze me vraagt “what’s the problem?”. Ze hebben het tegenwoordig stukken makkelijker dan mijn moeder, denk ik nog. Iedereen spreekt Engels.

Mijn antwoord is in het Nederlands; automatisme. Ze volgt het prima totdat ik me herinner dit in het Engels te moeten doen. “It’s ok.” Er wordt besloten tot twee röntgenfoto’s – al neem je er 36 het zal me jeuken. Ik weet toch al wat het probleem is. “Ontstoken wortelpunt.” Vakterminologie verstaat ze.

Het is boeiend hoe het werkt. Alle drie de witte jassen in de behandelkamer spreken dezelfde taal die ik niet versta. Buitenlanders pikken alle banen in, jaja. Is het nu al zo ver gekomen dat Nederlanders zelfs geen tandarts of kaakchirurg meer willen worden? Ik snap ze wel: hard werken, veel leren, en verhoudingsgewijs te weinig verdienen. Het uiterlijk van de drie, donker, wijst op alles ten oosten en zuiden van Turkije. Totdat ik ze langer hoor; het zou zo maar iets Scandinavisch kunnen zijn. Het ‘préziesch’ en ‘okéh’ vliegt me om de oren. Het zal. Als ze hun vak maar verstaan. De gebiedende wijs van dame wordt alleen onderbroken door de witte jas die de kamer in- en uitloopt. Een senior aan wie om advies wordt gevraagd. Even paniekeer ik: ze zal toch geen student zijn? Om vervolgens te bedenken dat áls ze nog student is, ze in het EMC onder toezicht en opleiding van de besten staat.

De röntgenfoto’s tonen een gaatje. “Waar kijk ik naar?” Er wordt gewezen naar de lichtere plek. Met daarboven een ontsteking. “Laat die andere foto ‘ns zien.” Vanaf de behandelstoel, zonder de drie artsen om me heen, is mijn gebiedende wijs teruggekomen. Umar! “Mij is verteld dat achter die kroon een ontsteking zit.” Die zit er ook ja, wordt bevestigd. Maar daar gaan ze nu niets aan doen, nu gaan ze het acute probleem oplossen en die is heel duidelijk: een ontsteking achter het gaatje. Wortelkanaalbehandeling eerste fase. “En dan moet u binnen een maand bij uw eigen tandarts de behandeling afmaken. Of die andere kies behouden kan blijven, moet een kaakchirurg beoordelen.” Ik zeg niets. Dat ik geen tandarts heb, is het hele probleem. Andere prioriteiten hé? Zoals al die andere mensen die op een vrijdagavond naar een arts komen. Nou ja, stel nog maar een vraag: “Hoe had dit voorkomen kunnen worden?” De mannelijke arts is nog net niet hautain. Hij ziet veel te vaak van die kippen zoals ik: “Twee keer per jaar naar de tandarts. Mondhygiëniste. Standaard.” 

Ik leun achterover in de tandartsstoel en doe mijn mond open. Denk mama, prent ik mezelf in. Die zou me ook geen pijn doen. Hoewel… De patiënten, die zijn altijd lief. Tegen haar eigen dochter zou ze keihard de waarheid zeggen: “Eigen schuld Ebru”.

Klik hier