Alles is anders

Je hebt een paniekaanval, zegt ze.

De tranen stromen over mijn wangen; ik weet dat dit geen paniekaanval is. Ik heb nooit een paniekaanval.

“Ik wil hier gewoon niet zijn,” huil ik.

‘Hier’ zijnde Carré.

‘Hier’ zijnde Amsterdam.

“Ik wil thuis zijn, gewoon thuis. Ik wil m’n bed in en slapen.”

Ik zit op een bankje in de foyer, mensen, volksstammen mensen, stromen naar de zaal. De voorstelling gaat zo beginnen.

“Ik krijg m’n hoofd niet op orde, ken je dat? Ik heb duizend gedachten die alle kanten uitgaan en ik krijg ze niet gefilterd.”

Met mijn handen duw ik tegen mijn slapen, alsof ik de gedachten bijelkaar wil duwen, terug m’n hoofd in. Het liefst zou ik mijn hoofd willen schudden als een sneeuwbol en zorgen dat alle vlokjes weer rustig naar hun plek dwarrelen.

Nee, Maureen kent dat niet nee. “Het klinkt toch als een paniekaanval”.

Ik schud m’n hoofd. Nee. Die mensen, al die mensen.

“Zo meteen is het donker, dan zit je in de zaal en zie je ze niet meer.”

Dat is waar. De foyer is al bijna leeg. Als ze nou snel doorlopen, kunnen we ook de zaal in. Die mensen. M’n hoofd. Ik wil hier echt wel zijn. Maar ik wil hier niet zijn. 

Het is een subtiel verschil.

Drie uur geleden manoeuvreerde ik de Mini soepel door Amsterdam. Als iemand die er de weg kent. Navigatie zei links, ik zette’m uit. Ga jij me nou vertellen hoe ik door de spits, want bijna 17, het beste vanaf de ring op de Weesperzijde kom?! Ring Zuid staat vast. Ramvast. Dus hop, Ring West, S106 Overtoom en dwars door de stad – risicootje ja maar hey, de file staat de stad uit hé. En ja: in één keer doorgereden over de Overtoom en de afweging Van Baerle of Stadhouderskade pakte ook goed uit. Ik kán dit. Heb hier niet voor niets twintig jaar gewoond. Tot aan de Amsteldijk maar één keer vastgestaan bij een stoplicht. Wie zei dat je de auto moet laten staan in Amsterdam?! En waar het nog misgaat is de rare bocht om op de Weesperzijde te komen. Maar soit, het doel is in zicht. Ik heb het er zonder kleerscheuren vanaf gebracht – ondanks de vervloeking van mezelf dat ik ‘ja’ heb gezegd tegen een avondje Carré. Alsof we in Rotterdam geen theaters hebben. Maar hey, het is leuk. Eten in de IJsbreker. En straks stoïcijns met de auto hiervandaan naar Carré rijden. Alleen als je 20 jaar in Amsterdam hebt gewoond weet je dat daar áltijd plek is. Niet in de restaurants, maar wel op straat, voor je auto. 

Het tafeltje dat in de IJsbreker voor ons gereserveerd is, is misschien wel de slechtste plek van het restaurant: in een donker hoekje, zonder uitzicht op de Amstel. In Rotterdam zou ik het plekje weigeren, maar hier bevalt het me verrassend goed. Het is een opluchting. Achteraf besef ik dat ik 1. niet geconfronteerd wil worden met mensen en 2. geen behoefte heb aan uitzicht op de lichtjes van Amsterdam. Ik ben hier niet. En dat ik er wel ben, wil ik niet weten. Tijdens het eten kan ik me al niet focussen, m’n gedachten gaan alle kanten uit. Dat ik coherent overkom, verbaast me. Dat ik geïnteresseerd een conversatie kan voeren, is professionaliteit. Als je niet wilt praten, moet je vragen stellen. Na het eten stap ik tot verbazing van Maureen in de auto om die 600 meter naar Carré te overbruggen; ja ik ga na afloop toch zeker niet teruglopen? Ik wil meteen weg, naar huis. Dat zeg ik er niet bij maar dat is wel mijn idee. “Ik kan op die hakken toch niet twee keer de Amstel op en neer lopen?” Waar ik ga parkeren? “Gewoon, voor de deur.”

Waarvan akte. Er is áltijd plek aan de Amstel. 

Maureen hangt de jassen weg, ik haal wat te drinken en dan gebeurt het: “Wilt u misschien gember- of muntthee?”. Opeens ben ik alle gevoel voor oriëntatie kwijt. Ja dit is de stad van Muntthee maar waar ben ik? Anders dan in de meest oubollige foyer van Nederland? Met mensen naast en achter me in de rij? Muntthee? Nee, weet ik nog uit te brengen. Nee. Maar wat voor thee Maureen dan wil? Ik. Heb. Geen. Flauw. Idee. Iemand enig idee hoeveel soorten thee er bestaan? “Ik pak wel zo’n zakje,” wimpel ik de dame achter de balie af. Zelf ga ik akkoord met PepsiMax. Drocht voor een Coladrinker als ik maar ik moet weg uit deze rij. Ik moet hier weg.

Met de analyse paniekaanval kan ik niets.

Dat is het niet.

Het is de confrontatie met dat alles anders is. 

“Vroeger gingen wij naar het theater, uiteten, lunchen op zaterdag. Gewoon. Alles was normaal. En heus, ik ga nog steeds naar het theater. Het zijn alleen andere theaters. In plaats van naar het Nationaal Ballet in de Stopera naar Scapino in de Stadsschouwburg van Rotterdam. In plaats van naar Carré, naar het Luxor. In plaats van naar de Kleine Komedie naar het Walhalla. In plaats van Pathé naar LantarenVenster. Godzijdank met allemaal vrienden van nóg vroeger. Alles is anders. Ik sta hier geparkeerd in plaats van dat ik met de fiets ben. Mijn hele leven is ánders. Het is niet slechter maar anders. Ik heb niet gevraagd om anders. Anders is me overkomen. En ondanks dat alles beter is, echt beter, is het toch anders. En anders is gewoon confronterend. Anders is opgelegd, opgedrongen en ook afgedwongen. Ik hád een leven. Ik héb een leven. Maar het is niet vanzelf gegaan.”

“Ik had niet gedacht dat je zou komen”, zegt Maureen.

Dat is dan wel weer grappig. “Nee, ik zeg altijd af.”

“Of je bent te laat. Dus dat was wel even schrikken, dat je er was en nog te vroeg ook.”

“Ik heb niet afgezegd én ik was op tijd. Zelfs dat is anders.”

Dat is dan wel weer grappig. Erg grappig.

Vrijdag weer naar de shrink. 

Maar eerst terug. Terug naar huis. Rotterdam.