En toen werd er ingebroken

Een vriendin belt. Niet zomaar een vriendin: we kennen elkaar al een jaar of veertig, uit het Rotterdamse. Ze was eigenlijk bevriend met mijn zus maar onze bloedgroepen en sterrenbeelden komen dusdanig overeen dat ze m’n jongere tweelingzus had kunnen zijn. Bovendien is ze ook van Turkse komaf en columnist bovendien. 

“Ebru luister”, begint ze. “Wat zou jij doen?”

‘Wat zou jij doen’-vragen zijn altijd persoonlijk, en áltijd ontroerend dat iemand dat zou willen weten. Ik ben jij niet, is mijn antwoord altijd. Mijn omstandigheden zijn anders, in alle opzichten. En wat je doet, heeft toch enorm te maken met wie je bent en hoe je leeft. 

“Iemand heeft rotte vis bij me achtergelaten.”

De mededeling is net zo simpel als dat ze absurd is. 

Hoezo dan? Wie dan? Waarom dan? Hoe bedoel je?!

“Het lag op de grond toen ik thuiskwam, in een bakje.”

Ik ben even stil.

“Bedoel je te zeggen dat er is ingebroken bij je?”

We leven in een wereld waarin een columnist anno 2021 de fase van inbreken al overslaat. Ze wuift het nog net niet weg, het is namelijk niet de eerste keer.

“Wat denk je dat dat betekent, die rotte vis?”

Nog steeds dringt de essentie niet tot haar door – en mij ook eigenlijk:

“Laat die vis voor wat ‘ie is. Er is dus ingebroken bij je?”

“Ja. Al eerder ook hoor.”

Serieus WTF.

Waar een ander in de fight of flight modus gaat, slaat mijn vriendin aan het psychologiseren. “Wat zou het betekenen? Wat zou jij doen? Heb jij dat wel ‘ns gehad?”

Ik sta in de fight modus: “Hoe zijn ze binnengekomen, heb je al nieuwe sloten? Het gaat er niet om wat ik zou doen, het gaat erom dat dit nooit weer gebeurt!” 

Ze wuift het weg: haar werkgever is geïnformeerd, er zitten inderdaad al nieuwe sloten op de deur, er is een camera bevestigd en de buitendeur krijgt as we speak ook een nieuw slot. Die vis, daar gaat het haar om. Ze is geobsedeerd door de vis.

“Jij bent de enige die begrijpt wat dit met je doet,” zegt ze. “Wat zou jij doen? De politie heeft de vis meegenomen.”

Ze appt foto’s door van de vis. Ik zie een plastic bakje, dat middenin de kamer op de grond is achtergelaten. De deksel zit erop. 

“Wat denk je dat dit betekent Ebru?”

“Is er verder iets verdwenen uit je huis?”

“Nee maar m’n bed was binnenstebuiten gekeerd. Wie laat er nou vis achter?!”

Ik verbijt me, m’n maag draait zich om en ik concludeer dat de agressie in Amsterdam alleen maar groter is geworden sinds ik er ben vertrokken in 2016. De intimidatie slaat door; zeg maar dág tegen je leven in vrijheid. Waarom iemand in deze tijden nog columnist zou willen worden, weet ik niet. Voor die fucking fooi die het oplevert, voor de hoon die de MSM over je uitstorten omdat je benoemt wat er speelt in dit land terwijl zij de andere kant uitkijken, hoef je het niet te doen. Dat columnisten broodnodig zijn om te benoemen waar anderen over zwijgen, weet ik wél. Maar hoe ga je om met dit vak, als de gekken zonder enige moeite de weg naar je huis weten te vinden, de plek waar je veiligheid en vrijheid gegarandeerd hoort te zijn? Sinds wanneer is columns schrijven zo bedreigend geworden, dat mensen de moeite nemen om bij je in te breken en rotte vis in je huis achter te laten?   

Nog even dit: mijn columns zijn gratis te lezen. Wil je me steunen (dank je wel!), dan kan dat hier– te gek!

Klik hier