50 jaar islamitische multicul: levens in gevangenissen

 

De scene staat in mijn geheugen gegrift. Ergens in de jaren ’90 van de vorige eeuw, in het huis van mijn moeder, het huis waarin ik nooit gewoond heb omdat ik destijds de deur al uit was, kwam een jong Turks stel uit Rotterdam- Noord. Mijn moeder was een voorbeeld voor de Turken uit de buurt: vrouw én arts. Moeder én echtgenote. De Turkse arbeiders namen haar serieus, hun dochters namen haar in vertrouwen. Ze wilden ook zo worden, een werkende onafhankelijke vrouw.

En ik verafschuwde al die mensen. Mensen die respect voor mijn ouders opbrachten, maar hun eigen dochters kort hielden. Vaders die werkten of in het theehuis rondhingen; moeders die de hele dag huisvrouw waren en hun dochters in de gaten hielden. Ze papegaaiden mijn ouders na als ze vroegen hoe het met mij ging. Niet alleen ging het goed, ik ‘deed’ het ook goed. “Maar jullie dochters houden jullie thuis, die ‘mogen’ ‘het’ niet goed doen. Of studeren die ook en wonen ze ook op zichzelf?” smaalde ik altijd de drie minuten die ik het in hun buurt uithield. Op hun beurt haalden zij hun schouders op. Ebru was altijd zo…. ‘Ebru’.

Die mensen kwamen graag bij mijn ouders over de vloer. Of het om advies of steun was, als Turken met een academische opleiding, een baan en aanzien, laafden ze zich graag aan ze. Godzijdank woonde ik al op mezelf maar in mijn herinnering waren er tot mijn onverbloemde en ongastvrije ergernis áltijd mensen over de vloer. Op deze dag was ik te laat met ontsnappen. Het jonge stel, zij uit Rotterdam, hij geïmporteerd uit Turkije, was er en kwam iets doen; m’n ouders uitnodigen voor hun huwelijk, de geboorte van hun kind aankondigen – iets, wat me totaal niet boeide en ik mij, zeker 25 jaar na dato, niet meer kan herinneren. Wat ik me wél kan herinneren, is dat het in een schreeuwpartij uitmondde, een welles – niet. Eentje die ongetwijfeld onschuldig maar zeker in hun optiek provocerend begonnen moet zijn met een opmerking van mij: ‘Ik moet er niet aan denken om ooit te trouwen en kinderen te krijgen. Dat gaat dus niet gebeuren. Gewoon NIET.’

De geïmporteerde man hoorde het in Keulen donderen. “Wat een onzin, natuurlijk ga je trouwen en krijg je kinderen. Want zo hóórt het!” Sta je dus, in je eigen huis – mijn moeders huis is nog altijd meer mijn huis dan die van een importturk – en wordt me verteld dat ik ‘natuurlijk’ ga trouwen en kinderen zal krijgen. “Volgens mij ben ik daar nog altijd zelf bij, bij dat trouwen en zéker bij dat kinderen baren. Gaat niet gebeuren. Nu niet, nooit niet. Gewoon NIET.”

Lang verhaal kort: de man liep rood aan, er volgde geschreeuw en ik liep schuddebuikend weg. “Nou doei hé!”. Mijn moeder haalde haar schouders op, het jonge stel bleef ontredderd achter. Ebru was weer ‘ns heel erg Ebru. 

Een ander moment dat in mijn geheugen gegrift staat, was de geboorte van het dochtertje van mijn vriendin E. Ze lag nog in het ziekenhuis en het meisje was al zeven dagen naamloos. “We willen haar eerst leren kennen, zien wat voor karaktertje ze is zodat we beter kunnen beslissen hoe we haar gaan noemen.” Dat zij en haar man het oneens waren over de naam, was algemeen bekend maar deze omschrijving, je baby’tje leren kennen, erkennen dat zelfs zo’n hummeltje een karakter heeft, een eigen persoonlijkheid is die zich zal ontwikkelen, was een eye-opener. Veel Nederlandser zou het niet meer worden in mijn leven. De erkenning van het individu, een karakter dat los staat van de wil van de ouders; je denkt dat je vrij en onafhankelijk leeft, maar er blijkt altijd nog een overtreffende trap te zijn. 

De afgelopen maanden verschenen de boeken van Lale Gül en Erdal Balci, over opgroeien in die verstikkende Turkse gemeenschap. Lale was all over the place want jong en vrouw en Prometheus, Erdal werd genegeerd. Lale’s boek verkocht 130.000 exemplaren, Erdal mag blij zijn als hij de 10.000 redt. Spoiler alert: dat van Erdal is beter en prachtig geschreven, dat van Lale is om te smullen. 

De tragiek zit niet in de verkoopcijfers of literaire kwaliteiten maar in de jaartallen. Erdal is mijn generatie, Lale meer dan een kwart eeuw jonger. De thematiek is in die 25 jaar echter niet veranderd, integendeel. De islam heeft terrein gewonnen in Nederland, mannen onderdrukken hun vrouwen, zussen, nichten en buurmeisjes nog net zo hard en misschien wel erger dan toen Erdal opgroeide. Er worden nog steeds importbruiden en -bruidengommen uit achterlijke gebieden geïmporteerd waardoor het moderne leven laat staan Nederland geen intrede doet binnen migrantengezinnen. Moeders verafschuwen hun leven en in plaats van dat ze hun dochters stimuleren zelfstandig te worden en niet ten prooi te vallen aan islamitische mannen, geven ze hun lijdzame bestaan door. Lijden zul je. Dat hoort bij het vrouw zijn. Dienen en baren zul je. Hoort ook bij het vrouw zijn. Zo heeft Allah het immers gewild. En Nederland, de Nederlanders, zij staan erbij en kijken ernaar. 

Want cultuur. 

Want vrijheid. 

Want eigen keuze. 

Want islam. 

Erdal beschrijft hoe hij als journalist door de migrantenhoepel springt: bezing de multicultuur, teken de andere verhalen op. Confronterend. Mijn hele professionele carrière heb ik gevochten tegen het hokje multicul – mijn Turkse afkomst definieert mij niet, de achterlijke islam waar mijn ‘landgenoten’ aan vasthouden is hún probleem, niet het mijne. Het wordt echter wel óns probleem als Nederland de islam de ruimte geeft om te groeien en woekeren. Godsdienst is onkruid, het maakt alles kapot wat het leven leuk maakt – waarom zou ik me daardoor laten definiëren? Lale’s boek heb ik niet uitgelezen, het is te confronterend om anno 2021 haar werkelijkheid te ervaren. Waarom is het niet goed gekomen met de generatie na die van mij en Erdal? Erdals boek heb ik wél uitgelezen – met moeite. Een misselijkmakende werkelijkheid, zo intens pijnlijk om te lezen hoe ook hij is kleingehouden door de cipiers van de cultuur in een land waar je álle mogelijkheden tot je beschikking hebt om te worden wie je bent. Maar nee. Je moet trouwen en baren, het liefst met een geïmporteerde neef of nicht. Waarna de vicieuze cirkel van verdriet zich herhaalt. Tegelijkertijd zijn Erdals’ cipiers niet allen Turken maar ook Nederlanders, die van hem verwachten dat hij door allochtonenhoepels springt. Sterker nog, we, de hele migrantengemeenschap heeft trauma’s opgelopen door op te groeien in schizofrene werkelijkheden. Het is alsof je in een vissenkom zit en het leven aan je voorbij ziet gaan. Soms ontsnap je even, doe je even mee. Maar nooit te lang, de lange arm van almachtige buren, vaders, ooms, broers en vergeet vooral de roddelende jaloerse onderdrukte wijven niet, is nooit ver weg. Het aanpassingsvermogen van migrantenkinderen doet niet onder voor dat van duurbetaalde en langgetrainde diplomaten; we hebben de cultureel verschillende werkelijkheden niet alleen geobserveerd, maar kunnen ons er ook moeiteloos in bewegen. 

Ja, ook ik heb trauma’s opgelopen. De meest voor de hand liggende zijn de moord op Theo van Gogh en mijn landarrest in Turkije. Maar opgroeien als de uitzondering in een vreemd land brengt ook trauma met zich mee. Nederland was niet mijn vreemde land, wél dat van mijn ouders. Die hier niemand anders dan elkaar hadden, de taal niet spraken en toch besloten hier te blijven omdat dat uiteindelijk beter zou zijn voor zowel hun carrières, leven en kinderen. Ik ben áltijd de uitzondering geweest, ook in de Nederlandse gemeenschap want niet-Nederlands. Godzijdank werd ik omringd door Nederlanders die mij als Nederlander behandelden in plaats van een imbeciele buitenlander. Pas toen ik in de media ging werken, probeerde men me door allochtonenhoepels te laten springen – wat ik consequent geweigerd heb. Nooit zal ik vergeten hoe die idioten van NOVA, een van de vele voorgangers van NIEUWSUUR, een repo over me wilde maken: ‘We gaan je neerzetten als dat meisje dat haar milieu is ontgroeid en haar hoofddoek heeft afgedaan’. 

Randdebielen, daar bij de Publieke Omroep. Gelukkig hebben ze een kwart eeuw na mij Lale Gül, die ze nu kunnen laten hoepelen – vooral omdat zij wél uit een onderdrukte situatie komt en wél een hoofddoek heeft gedragen. Voor journalisten geldt daarbij dat het makkelijker is om een jong grietje door hoepels te laten springen dan de politiek ter verantwoording te roepen voor mislukte integratie en voortdurende onderdrukking bij zeker zo’n 800.000 Nederlandse moslims gezinnen.  

Theo zag mij, het individu en niet de migrantendochter. Door toeval ontmoette ik hem, door toeval schreef ik, en door toeval bleef ik schrijven. Als kind had ik nooit bedacht dat ik auteur of columnist zou worden, arts of advocaat lag meer voor de hand – ook ik ben ontsnapt aan de verwachting van mijn omgeving. Ik zit in de fase waarin ik de balans van mijn productiefste jaren opmaak. Ja, ik heb het goed gedaan maar niet half zo goed als de bedoeling was geweest. Ik heb de kansen die Nederland mij bood, die mijn ouders mij boden, met beide handen aangegrepen zoals een Nederlander dat zou doen. Ik heb vanaf de eerste dag dat ik in de media was, geëist dat ik als Nederlander benoemd zou worden. Ik ben niet anders, ik hoef geen imbecielenbehandeling en wil al helemaal niet in het hokje multicul. Ik wilde maar één ding; normaal behandeld worden. Ik ben geen relikwie. Ik behoef geen subsidie. En ik wil al helemaal niet aangesproken worden op wat ‘de Turkse gemeenschap’ zegt, doet, vindt of laat. Wat ik wél wil, is uitspreken wat Nederlanders blijkbaar niet kunnen uitspreken; dat segregatie en zwarte scholen slecht zijn voor de integratie, dat migrantenkinderen Nederlands moeten leren, dat importhuwelijken moeten stoppen, dat de islam teruggedrongen moet worden naar achter de voordeur en niet de kinderhersenen moeten vergiftigen door islamitische basis en middelbare scholen en godbetert internaten. Dit land is óók mijn land, en ik wil vrijheid – als we de islam laten woekeren, verliezen we die vrijheid zonder twijfel. Erdals boek ‘De Gevangenisjaren’ lezend, vraag ik me af of ik me heb laten gijzelen en definiëren door wat ‘men’ van me verwachtte. In alle oprechtheid durf ik te zeggen van niet. Kijk naar mijn carrière: als niet zelf gedefinieerde tokenallochtoon is die nooit van de grond gekomen. Het zegt meer over de media dan over mij: die droomcolumn die blonde wijven schrijven over hun kuthuwelijken (zo easy money) is me nooit gegund. Sterker nog, alleen POWNED had het lef me te bellen toen METRO ermee stopte. Presentatie en side-kickklussen gingen ook aan me voorbij: had ik maar mijn Turkse afkomst in de onderhandeling moeten gooien. 

Maar die Turkse afkomst heeft me nooit geboeid. 

Ik wil niet anders dan als Nederlander behandeld worden. Met dezelfde kansen, rechten en plichten. Zonder extra’s – hoewel, zeker wél die ene namelijk dat ook alle Erdals, Lales en Ebru’s die nog komen een jeugd in vrijheid, een carrière in vrijheid en een leven in vrijheid hebben. Dat kan alleen als we erkennen dat vrijheid kwetsbaar is. Dat vrijheid niet vanzelfsprekend is maar juist álles is. Vrijheid is het waard is om voor te sterven. En als we de tirannie van de multicul en de islam niet als grootste vijand van vrijheid erkennen, zullen er, doden vallen – en niet alleen onder de Erdals, Lale’s en Ebru’s.    

Klik hier